| name | ideeen-ontwikkelen |
| description | Genereer en ontwikkel nieuwe ideeën vanuit een 'Hoe kunnen we...'-vraag (HMW) of probleemstelling binnen het onderwijsdomein (mbo/hbo/wo), via een divergeer-fase (zoveel mogelijk ideeën, geen kritiek) gevolgd door een convergeer-fase (clusteren, prioriteren, concepten uitwerken). Gebruik deze skill altijd wanneer de gebruiker wil brainstormen, ideeën wil genereren of ontwikkelen, een ideation-sessie wil simuleren, of een HMW-vraag (uit de hoe-kunnen-we-skill of zelf aangeleverd) wil laten uitwerken tot concrete richtingen. Trigger ook bij zinnen als "brainstorm hierover", "welke ideeën zijn er voor...", "laten we ideeën ontwikkelen", "denk mee over oplossingen voor", "divergeren en convergeren", "kom met zoveel mogelijk opties", of wanneer iemand een probleem of ontwerpvraag deelt en om concrete richtingen of concepten vraagt in plaats van een enkel antwoord. Levert de volledige ideeënlijst, clusters en uitgewerkte concepten in de chat plus een .md-bestand op. |
Ideeën ontwikkelen (brainstormen)
Nieuwe ideeën ontstaan niet door er één keer goed over na te denken — ze ontstaan door er
veel te verzamelen, ook de rare en de half-werkende, en daarna pas te selecteren. Deze skill
simuleert die twee bewegingen: eerst divergeren (zoveel mogelijk ideeën, zonder filter), dan
convergeren (clusteren, wegen, en een paar sterke concepten uitwerken).
Jouw rol: je bent niet workshopbegeleider van een groep mensen, je bént de brainstorm. Je genereert
zelf een breed scala aan ideeën vanuit verschillende invalshoeken, alsof meerdere deelnemers met
uiteenlopende achtergronden meedenken — en filtert daarna zelf, transparant, naar de beste
richtingen.
Deze skill werkt in het onderwijsdomein (mbo/hbo/wo): studenten, docenten, opleidingsmanagers,
data-analisten, instellingsbestuur, examencommissies, decanen, studieloopbaanbegeleiders.
Voordat je begint
Deze skill start bij een probleemstelling — meestal een "Hoe kunnen we...?"-vraag, bijvoorbeeld
uit de hoe-kunnen-we-skill, maar een los geformuleerd probleem of doel werkt ook.
Ontbreekt de probleemstelling? Vraag er kort naar. Een goede probleemstelling is breed genoeg voor
meerdere oplossingen maar concreet genoeg om ergens te beginnen (dezelfde toets als in
hoe-kunnen-we: minstens 5 wezenlijk verschillende ideeën moeten mogelijk zijn).
Krijg je meerdere HMW-vragen tegelijk? Vraag welke er eerst uitgewerkt moet worden, of behandel ze
na elkaar in aparte secties — niet door elkaar, dat vertroebelt zowel de divergentie als de clusters.
Fase 1 — Divergeren
Doel: zoveel mogelijk ideeën, zonder ze meteen te beoordelen. Kwantiteit vóór kwaliteit — hoe meer
ideeën, hoe groter de kans dat er een paar sterke tussen zitten, en zwakke ideeën leveren vaak het
opstapje naar een goed idee.
Regels tijdens het divergeren:
- Geen vroege kritiek. Elk idee is welkom, ook onaf, onrealistisch of gedeeltelijk. Beoordelen
komt in fase 2.
- Bouw voort op eerdere ideeën. Een raar idee dat het probleem niet oplost, kan wel de bouwsteen
zijn voor het volgende idee. Gebruik "yes, and..." — niet "nee, maar...".
- Wissel van invalshoek. Genereer niet 20 variaties op hetzelfde idee. Gebruik minstens vier van
onderstaande lenzen om spreiding te forceren:
| Lens | Vraag die je jezelf stelt |
|---|
| Analogie / metafoor | Wie lost een vergelijkbaar probleem al op, in een heel andere context? (bibliotheek, bol.com, sportschool, luchtvaart...) |
| Extreem idee | Wat zou de meest radicale, zelfs onwerkbare versie zijn? Wat kun je daaruit terugschalen? |
| Omdraaien | Wat als je het tegenovergestelde doet van de voor de hand liggende oplossing? |
| Combineren | Wat als je twee losse ideeën samenvoegt? |
| Andere rol | Wat zou een student bedenken? Een docent? Een IT-beheerder? Een buitenstaander die niks van onderwijs weet? |
| Weglaten | Wat als een voor de hand liggende beperking (budget, systeem, tijd) er niet was? |
| Klein en snel | Wat is de kleinste versie die je morgen al zou kunnen proberen? |
Genereer 15 tot 25 ideeën. Formuleer elk idee in één zin, actiegericht ("Laat studenten zelf...",
"Koppel X aan Y"), niet als vage richting ("iets met dashboards"). Nummer ze doorlopend — dat
nummer gebruik je in fase 2 om te clusteren.
Sla geen idee over omdat het lijkt op iets dat al genoemd is met een ander accent — kleine varianten
kunnen in fase 2 alsnog een cluster vormen die iets onthult.
Fase 2 — Convergeren
Doel: van een lange lijst naar een handvol richtingen die het waard zijn om verder uit te werken.
Stap 1 — Clusteren
Groepeer de genummerde ideeën in 4 tot 7 thematische clusters. Geef elk cluster een korte,
herkenbare naam (geen "cluster 1", maar bijvoorbeeld "Zichtbaarheid op het juiste moment" of
"Peer-to-peer in plaats van systeem"). Vermeld per cluster welke ideenummers erin zitten.
Een cluster met maar één idee is prima — forceer geen samenvoeging die niet klopt.
Stap 2 — Wegen
Beoordeel elk cluster op twee assen, kort en beargumenteerd:
- Impact — raakt dit de kern van de probleemstelling, of is het een randverbetering?
- Haalbaarheid — is dit met redelijke inspanning te proberen binnen het onderwijsdomein
(systemen, regelgeving, tijd van docenten/studenten), of vraagt het een grote verandering?
Gebruik dit niet als schijnwetenschap — een korte kwalificatie (hoog/midden/laag) met één zin
onderbouwing volstaat.
Stap 3 — Concepten uitwerken
Kies de 3 tot 5 sterkste clusters (hoge impact, of hoge haalbaarheid als quick win) en werk elk
uit tot een concept:
- Naam — kort en pakkend
- Omschrijving — 2-3 zinnen, concreet genoeg om je iets bij voor te stellen
- Waarom dit werkt — welke ideeën uit de divergentie zijn hierin verwerkt, en waarom raakt dit
de probleemstelling
- Wat nodig is om te testen — de kleinste volgende stap: een gesprek, een prototype, een pilot
met één opleiding
- Risico of mits — wat kan dit concept laten mislukken, of welke voorwaarde moet eerst kloppen
Neem ook 1 cluster op dat je bewust niet uitwerkt, met een zin waarom — dat maakt de selectie
navolgbaar in plaats van een black box (zelfde principe als de afgewezen varianten in
hoe-kunnen-we).
Output
Lever twee dingen: het antwoord in de chat én een .md-bestand in /mnt/user-data/outputs/ met
de naam ideeen-<kort-onderwerp>.md. Beide bevatten dezelfde structuur.
Gebruik dit template:
# Ideeën ontwikkelen — <onderwerp>
## Probleemstelling
> <de HMW-vraag of probleemstelling, letterlijk>
## Fase 1 — Divergeren (<n> ideeën)
1. <idee>
2. <idee>
...
## Fase 2 — Convergeren
### Clusters
| Cluster | Ideeën (#) | Impact | Haalbaarheid |
|---|---|---|---|
| <naam> | 1, 4, 9 | Hoog | Midden |
| ... | | | |
### Uitgewerkte concepten
#### 1. <naam concept>
<omschrijving>
**Waarom dit werkt:** <...>
**Volgende stap:** <...>
**Risico/mits:** <...>
#### 2. <naam concept>
...
### Niet uitgewerkt
- **<cluster>** — <reden waarom niet nu>
## Volgende stap
<één zin: wat de gebruiker hierna doet — testen, prioriteren met een groep, of terug naar hoe-kunnen-we voor een scherpere vraag>
Houd de chatweergave compact: de clustertabel en de uitgewerkte concepten volstaan. De volledige
ideeënlijst van fase 1 mag in de chat wat korter (bijvoorbeeld in twee kolommen of als lopende
opsomming) — het bestand bevat altijd de volledige, genummerde lijst.
Voorbeeld
Probleemstelling: Hoe kunnen we een mbo-student op elk moment laten voelen of ze op koers ligt?
Enkele ideeën uit fase 1 (van de 18 totaal):
- Stuur een wekelijks voortgangsbericht met één concreet cijfer.
- Laat de studieloopbaanbegeleider een duim omhoog/omlaag geven per module, zichtbaar voor de student.
- Vergelijk voortgang met een pakketje volgen: "je bent hier, dit komt eraan".
- Laat studenten elkaar peer-feedback geven op voortgang, geen systeem nodig.
- Extreem: een stoplicht-lampje op het studentenpasje dat van kleur verandert.
Cluster: Zichtbaarheid op het juiste moment (1, 3, 5) — Impact: hoog, raakt direct de MAAR
(informatie komt te laat). Haalbaarheid: midden, vraagt koppeling met bestaande systemen.
Concept: Voortgang als pakketje — Vertaal studievoortgang naar een trackingbalk zoals bij
pakketbezorging: "aangemeld → op koers → aandacht nodig → bijna klaar". Werkt omdat het een bekende,
laagdrempelige metafoor hergebruikt (idee 3) in plaats van een nieuw dashboard te bouwen.
Volgende stap: een clickable mockup testen bij vijf studenten van één opleiding.
Risico: als de onderliggende data niet actueel genoeg is, voelt de balk als onbetrouwbaar — erger
dan geen balk.
Aandachtspunten
Kwantiteit eerst, ook als het ongemakkelijk voelt. Stoppen bij 8 ideeën omdat de eerste paar
goed aanvoelen, is de meest voorkomende manier om een zwakke brainstorm te krijgen. De beste ideeën
zitten vaak na idee 12 of 15, als de voor de hand liggende opties op zijn.
Een cluster is geen compromis. Forceer geen samenvoeging van ideeën die niet echt bij elkaar
horen om aan een rond aantal clusters te komen.
Onderwijscontext bepaalt haalbaarheid mee. Roosters, examenreglementen, AVG en
systeemlandschappen maken sommige ideeën lastiger dan in een willekeurige sector. Noem dat expliciet
bij de haalbaarheidsweging in plaats van het te negeren.
Verwar dit niet met mindmapping. Een mindmap (aparte skill) verkent een onderwerp associatief en
open; deze skill werkt naar een besluit toe — een select aantal concepten met een volgende stap.
Gebruik ze na elkaar als dat past: mindmap om een onderwerp te verkennen, hoe-kunnen-we om er een
ontwerpvraag van te maken, ideeën-ontwikkelen om die vraag te beantwoorden.